Steun ons en help Nederland vooruit

Inbreng D66 nader voorlopig verslag bij de wet geweldsaanwending opsporingsambtenaar

Met belangstelling hebben de leden van de D66-fractie kennisgenomen van de memorie van antwoord, waarin de minister reageert op de onder andere door D66 gestelde vragen. Die antwoorden leiden tot een aantal nieuwe vragen namens de fractie van D66 (Boris Dittrich).

Sedert het uitbrengen van de memorie van antwoord is er onrust ontstaan in de Verenigde Staten over de dood van George Floyd in Minneapolis. Floyd, een zwarte man, werd door een witte politieagent tegen de grond gewerkt, kreeg minutenlang een knie in zijn nek en overleed. Dit leidde tot grote en emotionele demonstraties in Amerika tegen institutioneel racisme. De politie zou het met name op zwarte mannen gemunt hebben en bij aanhoudingen disproportioneel geweld tegen hen gebruiken. Ook in Nederland heeft dit geleid tot demonstraties, waarbij institutioneel racisme in Nederland werd aangekaart. Premier Rutte verwoordde zijn zorgen op de Corona-persconferentie van 3 juni 2020 als volgt:

‘‘Racisme is niet voorbehouden aan de Verenigde Staten. Ook Nederland heeft een systematisch probleem met racisme. Ook mensen in Nederland maken mee dat zij niet worden beoordeeld op hun toekomst, maar op hun verleden. Mensen die niet als individu worden aangesproken, maar op hun geloof…Nederland zal discriminatie op basis van ras nooit accepteren…’’

In het kader van dit wetsvoorstel vragen de leden van de D66-fractie hoe de minister aankijkt tegen racisme in het politie-apparaat en hoe zich dat vertaalt naar onterechte arrestaties van mensen met een andere (niet-witte) huidskleur.

In art. 511a regelt het wetsvoorstel het feitenonderzoek door de Rijksrecherche om te bezien of de geweldsinstructie door de opsporingsambtenaar is overtreden. Betrekt de Rijksrecherche in het feitenonderzoek of discriminatoire aspecten een rol hebben gespeeld bij de aanhouding van een verdachte die tot een concreet onderzoek naar het gedrag van de politie-ambtenaar heeft geleid?

Veel klachten over politie-optreden gaan over agenten die problematisch taalgebruik hanteren tijdens een aanhouding, zo wordt ons gemeld door mensen met een biculturele achtergrond die aangehouden zijn. Gesteld dat de opsporingsambtenaar verbaal geweld gebruikt, hoe wordt dit geadresseerd, nu, zo menen de leden van de D66-fractie, het wetsvoorstel alleen toeziet op fysiek geweld, aangewend door de opsporingsambtenaar.

Helaas moeten de leden van de D66-fractie constateren dat etnisch profileren voordat iemand wordt aangehouden voorkomt in het werk van de politie, ondanks dat de politie-organisatie etnisch profileren afkeurt. De minister heeft in de Tweede Kamer tijdens het mondeling overleg (p. 19) verklaard dat een opsporingsambtenaar die iemand van zijn vrijheid berooft zonder dat die ambtenaar daartoe bevoegd is, zijn bediening niet rechtmatig uitoefent. Dat is nu zo en dat blijft zo.’ Betekent dit dat als iemand na etnisch profileren wordt aangehouden, de daaruit voortvloeiende vervolging onrechtmatig is?

De angst bij velen die de fractie van D66 hebben benaderd is dat de introductie van het nieuwe artikel 372 Sr ertoe zal leiden dat politie-ambtenaren die niet in overeenstemming met hun geweldsinstructie geweld hebben gebruikt tegen een arrestant, de dans zullen ontspringen of althans voor het mindere’ delict van art. 372 Sr worden vervolgd en niet meer wegens een commuun misdrijf als bijvoorbeeld doodslag of dood door schuld. Kan de minister deze zorg wegnemen door te verklaren dat elke zaak tegen een opsporingsambtenaar die bij een arrestatie niet-proportioneel geweld heeft gebruikt, serieus wordt beoordeeld, dat maatwerk wordt geleverd en dat vervolging voor een commuun delict altijd tot de mogelijkheden blijft behoren, indien het Openbaar Ministerie zulks geraden voorkomt?

Het nieuwe artikel 372 Sr kan toegepast worden als de opsporingsambtenaar een verwijtbare inschattingsfout heeft gemaakt bij het toepassen van de geweldsinstructie of als hij/zij onvoorzichtig heeft gehandeld, aldus de minister tijdens het mondeling overleg in de Tweede Kamer en in de memorie van antwoord op p. 4. Ook in het voorgestelde artikel 42 lid 2 Sr wordt de strafuitsluitingsgrond gekoppeld aan de toepassing van de geweldsinstructie. Wat, zo vragen de leden van de D66-fractie, is nu eigenlijk een verwijtbare inschattingsfout en is de grens met een commuun opzetdelict daarmee niet erg dun? Het lex certa-beginsel is van toepassing. Hoe kun je als burger nu weten wanneer en waarom het Openbaar Ministerie art. 372 of een commuun delict ten laste gaat leggen. Volgens de leden van de D66-fractie is het voor een goede beoordeling van het wetsvoorstel daarom van belang de inhoud van de geweldsinstructie en het advies van de Raad van State daarover alsmede de visie van de minister op dat advies te kennen. Wanneer kan de Eerste Kamer deze stukken tegemoet zien?

Tijdens het mondeling overleg (p. 43) heeft de minister de Tweede Kamer een brief toegezegd in de eerste maanden van 2020 waarin hij ingaat op het ter hand nemen van een vuurwapen en andere aspecten rond geweldstoepassing door de politie. Wil de minister deze brief ook aan de Eerste Kamer sturen?

De leden van de D66-fractie zijn nog niet overtuigd van het antwoord van de minister op hun vraag of het mogelijk is voor het Openbaar Ministerie om de telastelegging te wijzigen van het nieuwe artikel 372 Sr naar bijvoorbeeld het doodslag-artikel. De minister stelt in de memorie van antwoord op pagina 3 dat het om verschillende te beschermen rechtsgoederen gaat en dat daarom wijziging van de telastelegging niet mogelijk is. De minister komt met de oplossing dat er een tweede dagvaarding kan worden uitgebracht. De D66-leden begrijpen dit niet goed en geven het volgende voorbeeld.  Stel, een politieambtenaar houdt iemand bij een verkeerscontrole hardhandig aan. De persoon raakt door het toegepaste geweld gewond. Er vindt een feitenonderzoek plaats op grond van art. 511a Sv. Onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie wordt de politie-ambtenaar verhoord, maar deze beroept zich op zijn zwijgrecht. Op basis van de beschikbare gegevens dagvaardt het OM de politie-ambtenaar en legt art. 372 Sr telaste (wel in de rechtmatige uitoefening van zijn taak, maar niet in overeenstemming met zijn geweldsinstructie gehandeld). Ter zitting besluit de politie-ambtenaar/verdachte te spreken en vertelt wat er is voorgevallen. Ter zitting blijkt door dit relaas dat het passend was geweest als het OM een commuun delict als mishandeling met lichamelijk letsel telaste had gelegd in plaats van schending van de geweldsinstructie. Bedoelt de minister met zijn opmerking in de memorie van antwoord dat er in totaal twee zaken tegen de politie-ambtenaar kunnen worden aangebracht, één vanwege de schending van de geweldsinstructie en één vanwege ernstige mishandeling? Dus twee zaken in plaats van één, zo vragen de leden van de D66-fractie. Is een cumulatie van zaken logisch? Het handelt toch om dezelfde feitelijke gedraging? Had een dergelijke cumulatie voorkomen kunnen worden als het amendement Van Dam (verbod primair en subsidiair telasteleggen van hetzelfde feit met andere juridische kwalificaties) zou zijn verworpen? Waarom heeft de minister dit amendement niet ontraden, zo vragen de leden van de D66-fractie.

Op pagina 3 van de memorie van antwoord antwoordt de minister op vragen van de D66-fractie dat: ‘‘In die gevallen waarin de betrokken ambtenaar welbewust de geweldsinstructie heeft geschonden- een situatie die zich niet vaak voordoet- zal tenlastelegging van een algemeen geweldsdelict meer in de rede liggen.’’.  Kan de minister in het licht van dit wetsvoorstel aangeven hoe het Openbaar Ministerie zou hebben gedagvaard in de zaak Mitch Henriquez (overleden in juni 2015 in Den Haag mede als gevolg van toepassing van een nekklem tijdens zijn arrestatie) als het onderhavige wetsvoorstel toen kracht van wet zou hebben gehad?

De leden van de D66-fractie zijn blij dat de minister een reparatievoorstel in procedure zal brengen waarbij de afhandeling van klachten tegen het niet vervolgen van politie-ambtenaren op grond van art. 12 Sv geconcentreerd gaat worden bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het argument van kennisopbouw geldt namelijk evenzeer voor de beoordeling van de zaken die slachtoffers van een onterechte politie-arrestatie en beslissing tot niet-verdere vervolging aan willen brengen. Is er bij de politie, bij het Openbaar Ministerie en bij de rechterlijke macht voldoende kennis in huis om aspecten van eventuele discriminatie, racisme en/of etnisch profileren bij arrestaties in de te maken opsporings- en vervolgingsbeslissingen te betrekken? Hoe wordt deze kennis up-to-date gehouden?

Over de toepassing van het klachtrecht, zoals geregeld in art. 12 Sv, vragen de leden van de D66-fractie wat de positie van het slachtoffer is als het Openbaar Ministerie ervoor kiest het nieuwe art. 372 Sr tenlaste te leggen, terwijl het slachtoffer vindt dat het een commuun delict had moeten zijn. Geeft art. 12 Sv dit slachtoffer de ruimte om tegen deze vervolgingsbeslissing een klacht in te dienen?

De leden van de D66-fractie zijn er nog niet van overtuigd dat er door de introductie van art. 372 Sr in totaal minder zaken tegen opsporingsambtenaren aanhangig worden gemaakt. Waar is de verwachting die de minister daarover uitspreekt, nu eigenlijk op gebaseerd? Zou het ook niet zo kunnen zijn dat ingevolge het gebruik maken van het klachtrecht op grond van art. 12 Sv het Gerechtshof zal opdragen dat opsporingsambtenaren moeten worden vervolgd op basis van een commuun delict?

De leden van de D66-fractie vragen of door de concentratie bij de rechtbank Midden-Nederland de doorlooptijden van zaken tegen opsporingsambtenaren kort zullen zijn? Is er voldoende capaciteit bij die rechtbank om aangebrachte zaken vlot te behandelen. Zowel voor de verdachte opsporingsambtenaar als voor het slachtoffer is het van belang dat de zaak snel wordt afgedaan. Signalen uit de praktijk die de D66-fractie hebben bereikt geven aan dat onder de huidige situatie het soms jaren kan duren voordat een zaak tot in hoogste instantie is afgewikkeld.

Laatst gewijzigd op 9 juni 2020