Steun ons en help Nederland vooruit

dinsdag 23 april 2019

Initiatiefwet Zorgplicht Kinderarbeid

Vandaag ligt het initiatiefwetsvoorstel Zorgplicht Kinderarbeid voor aan de Eerste Kamer. Petra Stienen voert namens de D66 Eerste Kamerfractie het woord.

De initiatiefwet vraagt bedrijven te verklaren dat zij het nodige doen om kinderarbeid te voorkomen. Stienen benadrukt dat D66 grote waarde hecht aan wetgeving die kan bijdragen aan het tegengaan van kinderarbeid wereldwijd. Hierbij moeten we vertrouwen op de eigen kracht van mensen én dat we allen een collectieve verantwoordelijkheid hebben om zorg te dragen voor een duurzame en harmonieuze samenleving, of dat nu in eigen land gaat of over onze grenzen heen. Uiteraard ook als het gaat om het bestrijden van kinderarbeid.

De vraag die de D66 Eerste Kamerfractie stelt is in hoeverre deze initiatiefwet ervoor zal zorgen dat elke nationale of internationale onderneming die aan Nederlandse eindgebruikers verkoopt gepaste zorgvuldigheid gaat betrachten om te voorkomen dat die goederen en of diensten met behulp van kinderarbeid tot stand komen. D66 wacht de beantwoording van de Minister van Buitenlandse Handel en Internationale samenwerking en de indiener mevrouw Kuiken af.

Lees de hele spreektekst hier terug:

Mevrouw de voorzitter, bijna 1,5 jaar na de eerste termijn van de behandeling van de initiatiefwet zorgplicht kinderarbeid staan we hier vandaag voor de tweede termijn. Toen ik de handelingen van de eerste termijn nalas viel me op dat een aantal collega’s naar het kinderwetje van Samuel van Houten uit 1874 verwees.

Niet voor niets, het is een van de vijftig vensters in onze nationale canon als een teken van het belang dat we hechten aan onze nationale strijd tegen kinderarbeid.

Inderdaad een belangrijke wet, maar ook een symbolische wet. Want de Tweede Kamer takelde Van Houtens ambitieuze wet behoorlijk toe.

Lang niet alle vormen van kinderarbeid werden verboden. Ook in de Eerste Kamer waren er indertijd bezwaren, ook omdat sommige leden de wet ‘een schetsje’ of ‘onvolledig’ vonden.

En de echte stok achter de deur – een leerplicht – vonden de politici op dat moment nog veel te ver gaan, die wet kwam pas in 1901.

Uiteindelijk werd de wet van Van Houten met 29 stemmen tegen 7 stemmen aangenomen, vooral omdat de voorstanders het een belangrijke eerste stap vonden.

Kinderarbeid verdween dus niet meteen uit Nederland. Maar de wet was wel een krachtig signaal: het welzijn van kinderen werd erkend als ‘algemeen belang’. En toen de wet niet goed genoeg werkte, leidde dat tot vervolgstappen. Een grote enquête naar misstanden in werkplaatsen en fabrieken, meer sociale wetgeving, en uiteindelijk zelfs die zo belangrijke leerplicht.

Allemaal zeg ik mevrouw de Voorzitter met een knipoog naar mevrouw Kuiken, het werk van (sociaal)-liberalen.

En inderdaad, die verwijzing naar de wet van Van Houten komt niet uit de lucht vallen.

Want de initiatiefwet van mevrouw Kuiken raakt aan een soortgelijk vraagstuk dat we ook in het sociaal-liberalisme hoog in het vaandel hebben: dat we vertrouwen op de eigen kracht van mensen én dat we een collectieve verantwoordelijkheid hebben om zorg te dragen voor een duurzame en harmonieuze samenleving, of dat nu in eigen land gaat of over onze grenzen heen. Uiteraard ook als het gaat om het bestrijden van kinderarbeid.

Daarbij moest ik ook denken aan wat Thorbecke in de aanloop van de kinderwet van Van Houten heeft gezegd, ‘wat door de kracht van de burgerij kan worden te weeg gebracht, al duurt het iets langer, dat moet de wetgever niet willen doen.’

Nu kunnen we het meneer van Houten niet meer vragen, toch zou ik wel benieuwd zijn of hij met de kennis van nu zou zeggen dat Thorbecke gelijk had en we toen gewoon hadden moeten wachten en niet over zo’n beperkte wet hadden moeten stemmen.

Immers de praktijk is weerbarstig en het heeft gewoon tijd nodig voordat de burgerij zich aanpast aan het verlangen naar verbetering van sociale omstandigheden zodat je veel meer omvattende wetgeving kunt maken.

Of zou hij nu zeggen, gelukkig heb ik goed geluisterd naar de kritische geluiden uit de samenleving die het wel tijd vonden om een wet in te dienen die tot verbetering van de levens van kinderen zou leiden. En hoe beperkt die wet ook was, het was wel een vonkje dat van groot belang bleek in de geschiedenis van onze sociale wetgeving.’

2 Hoe staan we er nu voor?

Mevrouw de Voorzitter.

Er is de afgelopen 1,5 jaar wel het een en ander gebeurd, zo heeft deze Kamer een aantal brieven gekregen van de initiatiefneemster en de minister. Mijn fractie heeft hier nog enkele vragen over.

Op 12 oktober 2018 en 9 april 2019 ontvingen wij twee brieven van de initiatiefneemster mevrouw Kuiken waarin ze in gaat op vragen van deze Kamer rondom de relatie van de wet tot de IMVO convenanten, de invulling van de zorgplicht en het toezicht.

Mijn fractie zou de initiatiefneemster willen vragen in te gaan op hoe zij denkt dat de in de wet genoemde AmvBs meer duidelijkheid zouden kunnen bieden rondom

  1. de relatie tussen de voorliggende wet en de IMVOconvenanten,
  2. de nadere invulling van de zorgplicht
  3. en het toezicht en de handhaving.

Waarom denkt zij dat het verstandig is om de evaluaties van de IMVO convenanten alsnog af te wachten en dan pas met de AmvB’s te beginnen?

Welk tijdspad heeft de initiatiefneemster dan voor ogen nu de streefdatum van 1 januari 2020 uit de wet niet meer haalbaar is?

Hoe denkt zij hoe de inmiddels ontstane maatschappelijke coalitie van koploper bedrijven, vakbonden en ngo’s hier bij betrokken kan worden. Ziet ze nog een rol voor zichzelf weggelegd?

Welke lessen kunnen worden geleerd van de diverse buitenlandse initiatieven zoals bijvoorbeeld in het VK (Modern Slavery Act), Frankrijk (Law on Duty of Vigilance) en Duitsland (het partnership for Sustainable Textiles) als het gaat om wetgeving om kinderarbeid tegen te gaan.

Welke initiatieven ziet de initiatiefneemster op het niveau van de Europese commissie en het Europees parlement die duiden op Europese regelgeving om kinderarbeid tegen te gaan waar deze zorgplichtwet bij zou passen?

Zou de initiatiefneemster ook willen ingaan op hoe zij een werkbaar klachtenmechanisme voor zich ziet als deze wet zou worden aangenomen?

 

Mevrouw de voorzitter, mijn fractie heeft ook nog enkele vragen voor de minister.

Hebben wij het goed begrepen uit haar antwoorden uit de eerste termijn dat zij voor beide AMvB’s een zware voorhang voorziet in beide kamers van de Staten-Generaal?

We hadden gehoopt dat er sneller vooruitgang zou zijn geboekt in

  • de evaluatie door de directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) van het ministerie van Buitenlandse Zaken van het Nederlandse IMVO beleid met aandacht voor de IMVO convenanten,
  • de evaluatie van het Nationaal Contactpunt voor de OESO richtlijnen
  • en de midtermreviews en evaluaties door de SER van de IMVO convenanten.

Zou de minister willen toelichten wanneer zij deze diverse evaluaties wel verwacht?

In de tussentijd is er wel een voorgangsrapportage van de SER over de IMVO convenanten verschenen (juni 2018). Mijn fractie leest in deze rapportage dat het streven van tien convenanten in 2016 niet is gehaald, maar dat er in de rapportagetermijn vijf van de tien zijn afgesloten voor kleding en textiel, bancaire sector, plantaardige eiwitten, duurzaam bosbeheer en goud. En inmiddels ook voor voedingsmiddelen en verzekeringen.

Volgens dit rapport zijn er flink wat vragen over eigenaarschap van partijen over de afspraken in de convenanten, de verschillende rollen van de overheid, ngos, brancheorganisaties, bedrijven en vakbonden. Ook is er volgens dit rapport nog veel te winnen in de convenanten door goede risico-analyses te maken, en is het beter de OESO richtlijnen te gebruiken en prioriteiten te leggen.

Op pagina 11 van dit rapport staat een aantal redenen waarom het minder snel is gegaan dan in 2014 gehoopt, zoals langere aanloopfases, behoefte aan meer bewustwording over en operationalisering van de bestaande internationale MVO richtlijnen, de complexiteit van het maken en implementeren van afspraken tussen veelheid van partijen met uiteenlopende belangen, sectoren die geen toegevoegde waarde zien in het afsluiten van een convenant en de rol van de overheid die door een aantal partijen wisselend wordt ervaren, als niet altijd even duidelijk en/of te weinig stimulerend.

Mijn fractie verneemt graag een appreciatie van de minister van deze voortgangsrapportage en de redenen genoemd op pagina 11 over waarom de voortgang van het afsluiten van de IMVO convenanten langzamer gaat dan gehoopt.

Mijn fractie zou ook een reactie van de initiatiefneemster mevrouw Kuiken op dit rapport op prijs stellen in relatie tot de lessen voor haar initiatiefwetsvoorstel.

Daarnaast ontving deze Kamer op 27 februari 2019 van de minister het door PWC uitgevoerde Onderzoeksrapport Strategieën voor Internationaal maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (Strategies for Responsible Business Conduct) van december 2018. We lezen dat er internationaal nog veel onduidelijkheid is over wat er van bedrijven wordt verwacht op gebied van rapportage en ketenverduurzaming. Ook zijn er vragen over de effectiviteit van de diverse instrumenten omdat er veel pas recent zijn gestart en er nog geen monitoring en/of evaluatieonderzoek beschikbaar is.

De aanbevelingen zijn ook interessant. In de kern komt het er op neer dat duidelijke richtlijnen noodzakelijk zijn over wat gepaste zorgvuldigheid betekent en hoe effectiviteit van nieuw beleid meetbaar kan worden gemaakt door duidelijke monitoring en evaluatieplannen op te stellen. Ook de kosteneffectiviteit van verschillende opties verdient nader onderzoek.

Mijn fractie hoort graag van de minister welke lessen zij belangrijk vindt uit dit rapport voor het Nederlandse IMVO beleid en de IMVO convenanten en of er ook een les te leren is voor de voorliggende initiatiefwet.

Een van de vijf conclusies van het rapport is het belang van een duidelijke ‘theory of change’ voor instrumenten en strategieën die worden ingezet voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen. We horen graag van de initiatiefneemster kort welke Theory of Change onder haar initiatiefwet ligt?

Daarnaast staat er nog een vraag open uit de eerste termijn voor de minister die ging over hoe zij de signaleringsfunctie ziet van ambassades als het gaat over de rol van het Nederlandse bedrijfsleven en IMVO en hoe zij de OESO richtlijnen naleven. Dit zou mijn fractie ook een belangrijke vraag vinden voor de evaluaties.

 

  1. hoe beziet de D66 fractie deze initiatiefwet nu?

Mevrouw de Voorzitter,

De vraag die vandaag volgens de D66 fractie voorligt is in hoeverre de initiatiefwet zorgplicht kinderarbeid er voor zal zorgen dat elke nationale of internationale onderneming die aan Nederlandse eindgebruikers verkoopt gepaste zorgvuldigheid heeft betracht om te voorkomen dat die goederen en of diensten met behulp van kinderarbeid tot stand zijn gekomen.

De D66 fractie worstelt toch met de vraag die lijkt op de vraag die Thorbecke in de aanloop van het kinderwetje van Van Houten had, welke volgorde kiezen we bij de belangrijke vraag over hoe we als samenleving kunnen zorgen dat het doel van wereldwijd uitbannen van kinderarbeid wordt bereikt:

  • geven we de tijd aan de afspraken die de afgelopen jaren gemaakt zijn in het kader van de internationale MVO convenanten en OESO richtlijnen en pleiten we voor algemene wetgeving die breder reikt dan alleen kinderarbeid als het gaat om gepaste zorgvuldigheid indien uit de aanstaande evaluaties blijkt dat de IMVO convenanten toch niet snel genoeg resultaten opleveren?
  • Of kiezen we pragmatisch voor een parallel traject waar naast de ontwikkeling van de IMVO convenanten de voorliggende initiatiefwet, hoe imperfect ook, kan worden gezien als een krachtig signaal en een stap in de goede richting van de ontwikkeling van gepaste zorgvuldigheid in de productieketen voor alle mensenrechten en milieuaspecten. Door te kiezen voor het onderwerp kinderarbeid kiezen we voor een onderwerp waar maatschappelijk veel draagvlak voor is en waarmee we kunnen onderzoeken en leren hoe die wettelijke plicht tot gepaste zorgvuldigheid het beste kan worden omgezet tot effectieve wetgeving op alle terreinen van Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen.

Mevrouw de voorzitter, om hier een keuze in te kunnen maken, wacht mijn fractie de antwoorden van de initiatiefneemster en minister met belangstelling af.