Steun ons en help Nederland vooruit

dinsdag 9 april 2019

Initiatiefvoorstel tweede derden meerderheid van stemmen voor EU-verdragen verworpen

Vandaag diende de stemming over het Initiatiefvoorstel rondom een twee derde meerderheid van stemmen voor goedkeuring van EU-verdragen. Dit wetsvoorstel is verworpen en de D66 Eerste Kamerfractie stemde ook tegen dit voorstel. De fractie houdt vast aan de opvatting dat in het licht van een objectieve, rationele en consistente wijze van omgaan met onze constitutionele ordening dit initiatiefvoorstel niet voldoet.

Al eerder heeft Hans Engels namens de D66 Eerste Kamerfractie aangegeven dat hij twijfelt aan de effectiviteit van het beoogde doel van het voorstel. Ook de staatscommissie-Remkes gaf aan hierover twijfels te hebben.

Lees de spreektekst in derde termijn hier terug:

“Zowel in de schriftelijke voorbereiding als in eerste en tweede termijn heeft de fractie van D66 bij monde van mijn voorganger Thom de Graaf genoegzaam laten blijken hoe wij tegenover dit initiatiefvoorstel staan. Zijn slotconclusie luidde dat het voorstel onvoldoende gemotiveerd en consistent is.

In deze derde termijn staat voor de fractie van D66 nog één vraag open: geeft het rapport van de Staatscommissie Parlementair Stelsel nog aanleiding om tot een ander oordeel te komen? Voor dat doel is het voorstel immers aangehouden. Ik beperk mij vandaag tot deze vraag.

De Staatscommissie constateert dat het wetsvoorstel voor de toepassing van een versterkte meerderheid voor goedkeuring van EU-verdragen uitgaat van een formeel criterium: verdragen waarop de EU is gegrondvest.

Dit criterium is naar de mening van de Staatscommissie aan de ene kant te ruim omdat het ook oprichtings- of herzieningsverdragen omvat die in het licht van de vraag of zij afwijken van de Grondwet geen verscherpte aandacht behoeven.

Dit criterium is aan de andere kant te beperkt, omdat verdragen met aanzienlijke gevolgen voor de Nederlandse rechtsorde , zoals associatieakkoorden en overeenkomsten als het Europese Stabiliteitspact en een Europese bankenunie daar niet onder vallen .

Eerder hebben de Raad van State en de staatscommissie-Thomassen op deze complicatie gewezen. De staatscommissie-Remkes stelt vervolgens vast dat het voorstel daarmee niet beantwoordt aan het beoogde doel en dat er twijfel kan bestaan over de effectiviteit daarvan.

Deze constateringen sluiten geheel aan bij de inbreng van mijn fractie in de vorige termijnen.

In aansluiting op de Staatscommissie Thomassen adviseert ook de Staatscommissie-Remkes om voor een antwoord op de vraag of een internationale overeenkomst afwijkt van de Grondwet niet alleen rekening te houden met de inhoud van een concrete grondwetsbepaling , maar ook met de daaraan ten grondslag liggende uitgangspunten en de strekking daarvan.

Ook mijn fractie heeft in de vorige termijnen gepleit voor een ruimere uitleg van art. 91, lid 3 GW, in die zin dat op dit punt ook naar de achterliggende beginselen van  de Grondwet moet worden gekeken.

De Staatscommissie adviseert om te beproeven of tot een minder restrictieve interpretatie van art. 91, lid 3 kan worden gekomen. Mijn fractie neemt dit advies over en roept de regering graag op het initiatief daartoe te nemen.

In dat licht zien wij uit naar de kabinetsreactie op het rapport van de Staatscommissie.

Anders dan de Staatscommissie menen wij niet dat in het geval dat uiteindelijk niet wordt gekozen voor een ruimere uitleg van art. 91, lid 3 GW, alsnog het initiatiefvoorstel tot uitgangspunt zou moeten worden genomen.

Wij houden vast aan onze opvatting dat in het licht van een objectieve, rationele en consistente wijze van omgaan met onze constitutionele ordening, dit voorstel niet voldoet. Graag vraag ik de minister of zij onze opvatting wil betrekken bij de kabinetsreactie.”