Steun ons en help Nederland vooruit

dinsdag 29 januari 2019

Debat integriteit Eerste Kamer

Vandaag debatteert de Eerste Kamer over integriteitregels voor Eerste Kamerleden. Ook de D66-fractie heeft haar eigen richtlijn integriteit. Fractievoorzitter Hans Engels stelt in het debat voor om tot één algemene code te komen voor de Kamer en de Kamerleden, mede op basis van verschillende interne fractierichtlijnen.

Een vorm van externe en geobjectiveerde toetsing of monitoring zou van waarde zijn, bijvoorbeeld “in de figuur van een gedragsregelcommissie met externe leden, die adviezen kan geven over de interpretatie van gedragscode en klachten kan beoordelen”.

Lees hier de spreektekst tijdens het debat terug.

 

“In de loop van deze Kamerperiode is gebleken dat de Eerste Kamer geen rustig bezit is. De toegenomen discussie over de positie en rol van de senaat zijn de opmaat gebleken voor de instelling van de Staatscommissie Parlementair Stelsel, die recentelijke het eindrapport ‘Lage drempels, hoge dijken’ heeft uitgebracht.

Een aspect dat vooral het afgelopen jaar veel aandacht heeft getrokken is de vraag naar de integriteit van de Eerste Kamerleden, meer in het bijzonder de risico’s van belangenverstrengeling dan wel de schijn daarvan.

Mijn fractie was mede-initiatiefnemer om als Eerste Kamer niet te blijven hangen in defensieve reacties op de geventileerde kritiek, maar de handschoen op te pakken en te reflecteren op de wijze waarop wij als Kamer omgaan met al dan niet vermeende integriteitsschendingen en belangenconflicten.

Het debat van vandaag maakt een belangrijk onderdeel uit van dit proces.

 

Het karakter van de Eerste Kamer

Waarom is het van belang om dit debat te voeren?

Het vertrouwen van burgers in het parlement is geen vanzelfsprekendheid.

Wanneer de suggestie wordt gewekt dat senatoren niet integer handelen en vragen worden gesteld over een door directe of indirecte belangen gestuurde vooringenomenheid bij besluitvorming over wetgeving, raakt dat aan het vertrouwen in de Eerste Kamer. Daardoor dreigt verlies van gezag en publiek vertrouwen.

In dat licht rijst de vraag of wij kunnen volstaan met verwijzingen naar de bijzondere aard van het Eerste Kamerlidmaatschap.

Graag dragen wij uit dat wij ons als ‘chambre de réflexion’ eerst en vooral richten op de rechtmatigheid en uitvoerbaarheid van wetsvoorstellen, uitgewerkt in een indrukwekkende lijst van toetsingscriteria zoals verdragsconformiteit, constitutionaliteit, beginselen van behoorlijke wetgeving, consistentie en handhaafbaarheid.

Tegen die achtergrond lijkt het moeilijk voorstelbaar dat Eerste Kamerleden ook maar de geringste aanvechting zouden hebben om zich door vooringenomenheid van welke aard dan ook te laten leiden.

Maar er is een complicatie die deze veronderstelling onder spanning zet.

Ook naar de buitenwereld is inmiddels doorgesijpeld dat in dit Huis ook aan politiek wordt gedaan. Deze politieke realiteit relativeert het lang gekoesterde zelfbeeld van een in een grote mate van onafhankelijkheid toetsende senaat.

Dat betekent naar mijn oordeel dat het niet afdoende is om ingeval van opgeworpen vragen over de integriteit van senatoren te verwijzen naar de bijzondere aard van het Eerste Kamerlidmaatschap en de bijzondere positie van de Eerste Kamer als instituut.

 

Partijpolitieke autonomie en zelfcorrectie

Ook binnen mijn fractie is lang gedacht dat zuiverheid van handelen in de eerste plaats een kwestie is van interne fractiehygiëne.

Om de zelfreflectie en zelfbeperking op externe activiteiten te vergroten hebben wij voor onszelf een Richtlijn Integriteit ontwikkeld en gepubliceerd om (de schijn van) belangenverstrengeling te vermijden.

Deze Richtlijn bevat interne controle-afspraken over persoonlijke omstandigheden die een risico vormen voor de integere uitoefening van het Kamerlidmaatschap,

over het vermijden van woordvoerderschappen die rechtstreeks en/of in persoonlijke zin hoofd- of nevenfuncties raken,

over functies van commerciële of belangenbehartigende aard die tot een publieke discussie over de combinatie met het lidmaatschap van de Eerste Kamer kunnen leiden,

over contacten met lobbyisten, over werkbezoeken waarbij een fractielid redelijkerwijs kan vermoeden dat daarover een politiek-maatschappelijke discussie kan ontstaan,

over financiële bijdragen voor buitenlandse werkbezoeken, en het aannemen van gelden uit hoofde van het Eerste Kamerlidmaatschap, anders dan de wettelijke vergoedingen en het aannemen van giften of geschenken.

Tot slot vormen integriteit en de risico’s voor (de schijn van) belangenverstrengeling een vast punt voor de regelmatige functioneringsgesprekken.

Dit is de transparantie en rolduidelijkheid ten goede gekomen.

Ook in onze gelederen overheerste de opvatting dat de autonomie van politieke partijen een groot goed is en dat zelfcorrectie voldoende zou zijn om discussies over de integriteit binnen de fractie in goede banen te leiden.

Uiteraard heeft mijn fractie zich achter de interne afspraken geschaard die naar aanleiding van de Greco-rapporten zijn voorgelegd en hebben wij de aanpassingen in het Reglement van Orde gesteund.

 

Vertrouwensverlies en reputatiemanagement

Tot dusver hebben wij er als Kamer en Kamerleden op vertrouwd dat wij onze verantwoordelijkheid voor integer handelen kennen en weten wat we wel en niet kunnen doen of laten.

Als gevolg van de gesprekken die wij als fractievoorzitters met elkaar over dit thema hebben gevoerd en de inzichten die ons tijdens het Rondetafelgesprek met externe deskundigen zijn aangereikt moet ik vaststellen dat er niettemin de nodige stof tot verder nadenken ligt. Daarnaast heeft de Staatscommissie Parlementair Stelsel op dit punt onder meer voorgesteld het toezicht op de registratie van andere functies dan het Kamerlidmaatschap te verbeteren en zich zou moeten aansluiten bij bestaande regels over niet-toelaatbare handelingen en het deelnemen aan stemmingen zoals bijvoorbeeld geregeld in de Provincie- en Gemeentewet.

Blijkbaar is de wijze waarop wij hier zelf proberen de integriteit van de Kamer en die van de Kamerleden te bewaken voor de buitenwereld niet in alle opzichten overtuigend.

Er bestaat de nodige twijfel of de Eerste Kamer niet teveel vertrouwt op de eigen kracht en het wijze inzicht van fractieleden, de fractie, de partij en het zelfreinigende vermogen van de Kamer zelf.

Deze twijfel is schadelijk voor de statuur en het imago van de Eerste Kamer.

Nu wij vandaag een proces van herbezinning afronden lijkt het mij om die reden goed namens de fractie van D66 te proberen enkele voorstellen te doen met betrekking tot de vraag hoe de Eerste Kamer de bewaking van zijn integriteit kan versterken.

Deze voorstellen kunnen tevens diensten bewijzen ten aanzien van nog openstaande aanbevelingen van GRECO.

 

Voorstel voor één algemene gedragscode

Het eerste voorstel is te komen tot één algemene code voor de Kamer en de Kamerleden.

Mijn fractie zou vandaag graag met alle andere fracties de afspraak willen maken dat wij de griffier vragen op basis van de verschillende interne fractierichtlijnen en door een aantal experts op dit punt ingebrachte suggesties een ontwerp te maken voor een algemene gedragscode voor de Eerste Kamer, die als handvat kan dienen voor het bewaken van de integriteit en het vermijden van (de schijn van) belangenverstrengeling.

Dat biedt de mogelijkheid om te komen tot eenvormige gedragsregels met zo scherp mogelijke begripsomschrijvingen, los van politieke partijen.

Deze door de Kamer geïnstitutionaliseerde vorm van zelfregulering accentueert dat wij als Eerste Kamerleden niet alleen volksvertegenwoordigers zijn met een vrij mandaat, maar ook publieke ambtsdragers met een externe verantwoordelijkheid.

Gedragscodes hebben niet de status van een algemeen verbindend voorschrift.

Zij kunnen het best worden gekarakteriseerd als besluiten sui generis met een primair zelfbindend karakter.

Daarom is een specifieke bevoegdheidsgrondslag niet nodig, maar kan zo nodig worden aangeknoopt bij de in art. 72 GW geboden bevoegdheid een Reglement van Orde vast te stellen.

Daarmee is de vraag naar de handhaving van een dergelijke gedragscode gesteld.

 

Voorstel voor de naleving van de gedragscode

Mijn fractie voelt er niet voor om ten behoeve van de handhaving van gedragsregels het opleggen van formele sancties mogelijk te maken in de zin van berispingen, schorsingen of de uitsluiting van vergaderingen.

Dat klinkt op het eerste gezicht aantrekkelijk uit een oogpunt van effectiviteit, maar herbergt een niet onaanzienlijk risico voor politisering.

Politisering door interne bescherming binnen fracties, politisering omdat naleving van vastgestelde gedragsregels wordt beïnvloed door de angst dat een fractielid zich zou kunnen afsplitsen op grond van het vrije mandaat, politisering omdat coalitiebelangen in het gedrang zouden kunnen komen en politisering door integriteitskwesties anderszins partijpolitiek te maken.

Wel zijn wij gevoelig voor de in de expertmeeting opgeworpen suggestie om ons niet te beperken tot collegiaal intern toezicht. In dat licht denken wij dat een vorm van externe en geobjectiveerde toetsing of monitoring van waarde zou zijn.

Mijn fractie staat op dat punt nog niet een in detail uitgewerkte modaliteit voor ogen, maar voelt veel voor de figuur van een gedragsregelcommissie met externe leden, die adviezen kan geven over de interpretatie van de gedragscode en klachten kan beoordelen.

Mogelijk kan in dat verband ook een algemene of meer specifieke vorm van een rapportageverplichting worden overwogen.

Een tweede voorstel van de D66-fractie is dus om door de griffier voor deze figuur een concept, zo nodig met enige varianten te laten ontwikkelen.

 

Afronding

Graag zal ik vandaag de visie en voorstellen van de collegae tot mij nemen.

Uiteraard hoop ik dat de voorstellen van mijn fractie bij diezelfde collegae in goede aarde zullen vallen.”