Steun ons en help Nederland vooruit

dinsdag 14 november 2017

Inbreng Annelien Bredenoord bij debat Vastleggen en bewaren kentekengegevens door politie

Vandaag debatteert de Eerste Kamer over het Vastleggen en bewaren van kentekengegevens door de politie. Lees hier de inbreng van woordvoerder Annelien Bredenoord terug.

 

 

Voorzitter,

Allereerst wil ik graag de heer Grapperhuis verwelkomen als minister van Justitie en Veiligheid.

We spreken vandaag over het voorstel een wettelijke bevoegdheid te creëren voor het vastleggen en bewaren van kentekengegevens van voertuigen op de openbare weg door middel van camera’s ten behoeve van de opsporing van bepaalde misdrijven en ter aanhouding van voortvluchtige personen. Onder kentekengegevens wordt verstaan: het kenteken, de locatie, het tijdstip en een foto-opname van het voertuig. Dit weekend verschenen er in de media al wat berichten over de uitbreiding van de ANPR camera’s, onder andere op de Nederlandse binnenwegen[1].

Hoewel we het vandaag in deze Kamer hebben over het vastleggen en bewaren van kentekengegevens, valt het wetsvoorstel dat vandaag wordt behandeld onmiskenbaar binnen een bredere discussie over privacy, vrijheid en veiligheid. Eerbiediging van het privéleven is van essentieel belang voor de vrijheid van burgers én voor hun veiligheid. Het is daarom van groot belang dat wetgeving die de privacy van burgers inperkt ten behoeve van de veiligheid aan een strenge noodzakelijkheids- en proportionaliteitstoets wordt onderworpen, juist omdat mijn fractie veiligheid hoog in het vaandel heeft staan.

 

Proportionaliteit

Het systematisch scannen en opslaan van kentekengegevens door camera’s langs de weg is een mogelijke inbreuk op artikel 10 GW en EVRM artikel 8 (eerste lid): recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Een dergelijke inbreuk kan gerechtvaardigd zijn indien:

  • Het bewaren van de desbetreffende gegevens bij wet is voorzien;
  • Het een legitiem doel dient;
  • Noodzakelijk is in een democratische samenleving, d.w.z. het moet noodzakelijk en proportioneel zijn.

Feitelijk is het moeilijk om de noodzaak en proportionaliteit van het onderhavige voorstel in te schatten. Mijn fractie trekt niet in twijfel dat het opslaan van kentekengegevens van nut zou kunnen zijn in het opsporen en in kaart brengen van verdachten van misdrijven. Zo is de verwachting dat het massaal opslaan van gegevens een positief effect kan hebben op het oplossen van misdrijven en het opsporen van verdachten.

De vraag is echter of het middel in verhouding staat tot het doel. De mate waarop deze effectiviteit zich zal bewijzen is nog niet duidelijk en niet te staven aan harde cijfers. De voorbeelden die de vorige minister tot nu toe heeft gegeven zijn gebaseerd op een heel beperkt aantal ervaringen. De Afdeling Advisering van de Raad van State merkt op dat de vier rechtszaken die worden genoemd ter illustratie van het belang voor de opsporing, ook de enige vier zaken waren in de jaren 2009 en 2010 waarin bewijsmateriaal dat met behulp van ANPR was verkregen een rol speelde.

De Afdeling stelt dan ook vraagtekens bij de doeltreffendheid en concludeert naar aanleiding van de ervaringen met het ANPR in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten ”op grond van het voorgaande kan niet worden gesteld dat sprake is van een zodanige doeltreffendheid dat deze noodzakelijkerwijze dwingt tot de voorgestelde nieuwe bevoegdheid”.

Bovendien is de vraag hoe groot de inbreuk op privacy zal worden moeilijk in te schatten, omdat de schaal waarop de vaste en mobiele camera’s ingezet kunnen worden geregeld zal worden in een algemene maatregel van bestuur. Hoe kunnen wij beoordelen en controleren waar in het wegennet camera’s komen te staan, vast of mobiel? Dat is een eerste vraag aan de minister.

Het enkel ‘handig’ of ‘nuttig’ zijn is geen wettelijk criterium. De wetgeving moet ‘noodzakelijk zijn in een democratische samenleving’ en daarmee proportioneel zijn. Wij vragen de minister: Hoe kunnen wij dit op basis van de huidige informatie beoordelen? Kan hij beter onderbouwen waarom de voorgestelde maatregel noodzakelijk en proportioneel is?

 

Privacy in de publieke ruimte

Eerdere antwoorden van de minister gaven aan dat er in de publieke ruimte, op onze openbare wegen, minder sprake is van een zogenaamde ‘reasonable expectation of privacy’ en dat de opslag van kentekengegevens voor 4 weken slechts een minimale inbreuk op de privacy is. Mijn fractie zet daar de nodige vraagtekens bij.

Ten eerste, het onderscheid tussen de private en publieke ruimte is door de opkomst van big data en het internet of things steeds meer aan het vervagen, zo heeft de WRR recent ook betoogd in haar rapport “Big Data in een vrije en veilige samenleving”. Privacy in de publieke ruimte was vroeger minder een issue, maar mensen zijn publiekelijk steeds zichtbaarder en te volgen via foto’s en digitale sporen. Naarmate mensen meer systematisch bekeken worden gaan ze zich anders gedragen, de onbevangenheid neemt af, zo schrijft ook het Rathenau Instituut.

De publieke ruimte is in principe van iedereen en daarin mag je je in beginsel ongehinderd en onbespied bewegen. De ANPR camera’s hebben een effect op onze vrijheden, en dat bevestigt dat de proportionaliteitstoets streng moet worden nageleefd, ook bij iets ogenschijnlijk onschuldigs als kentekens. Graag een reactie van de minister.

Ten tweede, tijdens de deskundigenbijeenkomst werd al gewaarschuwd voor de effecten van grootschalige dataopslag op de privacy door middel van de ‘mozaïek-theorie’: hoewel een enkele foto van een auto op één specifieke plek op een openbare weg geen enorme inbreuk op de privacy van een persoon betekent, kan dit in combinatie met andere gegevens een zeer privacygevoelig beeld van iemands persoon weergeven.

In een reactie gaf de voormalige minister aan dat dit wetsvoorstel geen grondslag biedt om iemands gedrag volledig na te trekken en dat de ANPR-gegevens die op grond van dit wetsvoorstel worden vastgelegd apart van de overige gegevens en voor een beperkte duur worden bewaard. Maar hoe zit dit met ANPR-gegevens van verschillende plekken die met elkaar kunnen worden verbonden? Wat zijn de wettelijke waarborgen dat er geen profielen van mensen gemaakt worden? Is de minister met de D66-fractie van mening dat zolang de daadwerkelijke schaal en koppeling van camera’s onbekend is, er sprake zou kunnen zijn van surveillance?

Locaties van camera’s zijn erg bepalend om aspecten van iemands persoonlijkheid of persoonlijk leven in kaart te brengen. Uit snelwegen is misschien niet direct veel af te leiden, maar hoe zit het met camera’s in de buurt van scholen, kerken, moskeeën, een GGZ instelling, ziekenhuis of een homo-ontmoetingsplaats? Privacy is nodig om je vrij en veilig te voelen. Graag een reactie van de minister.

Mijn fractie ziet hier het risico van function creep, dat wil zeggen het gebruik van een technologie, een systeem of data voor doelen waarvoor het oorspronkelijk niet bedoeld was. Function creep staat haaks op doelbinding, hetgeen een belangrijk uitgangspunt is van privacy-by-design, hetgeen in de EU Algemene Verordening Gegevensbescherming ook wel dataprotectie-by-design wordt genoemd.

 

Privacy by design

De EU Algemene Verordening Gegevensbescherming, die mei 2018 in werking treedt, stelt dat het verwerken van persoonsgegevens volgens het principe van dataprotectie-by-design dient te gebeuren. Dit principe zal de komende jaren verder invulling moeten krijgen, maar het betekent globaal dat verwerkers van persoonsgegevens technologische en organisatorische maatregelen moet nemen om de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zo klein mogelijk te houden, bijvoorbeeld door principes als dataminimalisatie en doelbinding.

Mijn fractie ziet in dit voorstel bepaalde waarborgen die onder dit principe zouden kunnen worden geschaard, zoals de horizon- en evaluatiebepaling. Maar een secure benadering van dataprotectie by design vraagt ook om een secure onderbouwing van de lengte van de bewaartermijn. Waarom is het volgens de minister nodig om de gegevens van in principe onverdachte burgers voor specifiek 28 dagen op te slaan? Waarom niet alleen realtime scannen, of een dag, een week of bijvoorbeeld twee weken bewaren? Kan de minister nader duiden waarom voor de meeste misdrijven waarop dit voorstel ziet juist deze termijn van 28 dagen noodzakelijk is? Dit vooral in het licht van de vaststelling dat dit voorstel met name en in eerste instantie onschuldige en onverdachte burgers treft.

Ook zou ik graag van de minister vernemen hoe hij het onderhavige wetvoorstel ziet in het licht van de uitspraak van het Hof van Justitie waarmee een streep getrokken werd door de Dataretentierichtlijn, de zaak Digital Rights Ireland (2014). Hier bepaalde het Europese Hof over het opslaan van telecom- en locatiegegevens van individuele burgers:

“De bewaarde gegevens kunnen namelijk zeer nauwkeurige aanwijzingen verschaffen over het privéleven van degenen van wie de gegevens worden bewaard, zoals de gewoonten van het dagelijkse leven, de plaatsen van permanent of tijdelijk verblijf, de dagelijkse verplaatsingen of verplaatsingen van andere aard, de uitgeoefende activiteiten, de sociale relaties en de gefrequenteerde sociale milieus”. Houdt dit wetsvoorstel, indien het aangenomen wordt, stand voor het Hof van Justitie? Graag een reactie van de minister.

Voorzitter,

Ik kom tot een afronding. Mijn fractie heeft serieuze kanttekeningen bij de proportionaliteit van het onderhavige wetsvoorstel, benadrukt het belang van privacy in de publieke ruimte, en vraagt zich af of de principes van dataprotectie-by-design voldoende gerespecteerd worden. De WRR heeft in het eerder genoemde rapport gewaarschuwd voor ‘data-obesitas’, waarbij juist de overheid in Big Data het goede voorbeeld moet geven in ‘less is more’ . We zien uit naar de antwoorden van de minister.